293
porcelein en hel-aangekleurd aarde-werk, oude flacon-nen en beschilderde glazen. Groote glazuren pannen, okergeel en roodgoud, vlamden hun licht af tegen een schellen jubel van kleurige lampenkappen, vermiljoen en glans-uitsproeiend geel. En de hitte omdampte de waar in een zonnigen nevel die kookte en gistte boven de keien.
Een koopman met beschilderde emmers ketelde een razerige muziek uit een ongeverfde trom en zijn buurman in weegschalen, sloeg er de tsjing-tsjing tegenin, met verroeste ijzeren potdeksels. De portretlijstjes, brochen, kopjes en schotels van naast-staande stalletjes beefden mee in den dreun. Een oor-drui-schend lawaai en geroep doorhurriede de markt. Mooie Karei voelde zich nu eerst lekker worden. De zon mocht zijn kop ״afbroaien" en zijn hersens in „azijn" leggen, het deerde hem niet meer. Dat was zijn Wester-markt; met al het bekende gewoel en het drieste geduw, het menschen-verkluwen en de doórzinging van de orgels alom uit de zijwijken. Hij leefde óp tusschen al die kooplustigheid, tusschen handels-driftige wijven, die graaiden, bukten en loerden op „masseltjes", dongen en kochten.1 En rondom, het zingend gevent van da kerels, vrouwen en meiden.
Van de Noordermarkt hoorde hij het krijscherige gezang van Schoenebak, in makreelen, stinkende visch, overblijfsel van de hal. En David, de zuur-jood, deunde in de zon, bezong zijn waar; blank als zuigelingen-vleesch; uitjes, geleverd.... an zijne okse-lensie, an de tafel van Willem Drie-zaliger; augurken, zoo groot als de kromme voeten van zijn Moosie.
— Koarel, Koarel,.... doar hei je HaUntje Punt!.... schreeuwde opgewonden over den menschendrom heen, Arend de Ritsige.
— Woar?.... spitste Karei zich, terwijl hij in een