292
goud. De links- en rechts-loopende menschen-niassa's bebotsten elkaar telkens. Groote oor-manden, bakken en emmers, schuurden aan de armen der vrouwen langs malkander, verhaakten, bonsden en beukten de voorbijgangers. Een ópdampende stoffigheid van al het voeten-geslof en geslifïer verstikte den snikheeten doorgang, tusschen het geraas en lawaai der markt-negotianten. Soms galmden de stemmen tot één dooreenwarrend gezang, om plots weer vanéén te vallen in zelfstandige vent-roepen, als gedempte klaroenklanken uit de verte. —
—• Alles-kost 'n dubbeltje,.... alles-maar 'n dubbeltje!.... zong een klein joodje, geschonden wit-steenen schalen verkoopend. Als een vogelen-zwerm op een boom in schemer, zoo drongen en klepperden de menschen saam, tastend en graaiend in zijn waar.
— Je ken neme wad je wil, wad je wil, al neem je me frou mee,.... lachte zijn schelle stem.
Om zijn goedigen joden-mond kleefde het zweet, als gesmolten boter glimmend op de kin. Zijn wijd-gesperde neusgaten zongen zijn sjacher-lied mee, terwijl de onstuimige opjaging van zijn stem het geweld van zijn verkoop-hartstocht deed voelen.
Telkens stremde en propte de voortslenterende massa vast op kooplustigen die vóór de stalletjes staan bleven en prijs bedongen met de verkoopers. Een zwaar-broeische menschenlucht doorzoog de markt, vermengd met al geurigheid van vruchten, visch, groenten en oud-kleêr. Een koek-kraampje, schuin beschoten door het zonnevuur, rookte kruidige zoetigheid van smeltenden honing en sucade rond. Over de uitstallingen op den grond, stak de zon een teisterend lichtspel. Het goud-gloeien flonkerde op lepeltjes, messen en hoedenspelden; ketste vonken en glanzen over bont