291
markt-weg, door trottoir-verhooging aan weerskanten afgesmald, tusschen twee rijen boomen, leek in de zon-gloeiing en met al de zeildoeken boven de kramen, een rookende, goud-doorwasemde hal, verzwoeld in het daverende en luid-ópklinkende markt-gerucht; omdom-peld in het zangerige waren-geroep van een op-zich-zelf levend sjacher-wereldje. Het over al de Jordaan-buurten uitschietende licht, vervloeide in de verte van Lijnbaansgracht als een verweven violette wol-kerigheid, een saamgeperste damp, terwijl de blauwe hemel genadeloos-strak de markt en al haar wemelende, blank-witte en gestreepte kraampjes-zeilen overzengde met een uitstralenden, wegketsenden zonnegloed. Onder de boomen zeefde het licht neer als een dampige goud-walm, waarin straalglanzige zweef-vliegen gonsden. Tusschen de trottoirs-banden stonden de stalletjes nauw opéén-gedrukt, een smallen doortocht openlatend voor koopers en markt-slenteraars, die van twee kanten aan- en voorbij-wemelden. Ook uit de Boomdwarsstraat, Anjeliersdwarsstraat en andere zijwegen van weerskanten de Westerstraat, drongen stoeten menschen aan, de markt overzwervend in gerucht en getier. Naast het opgehoogde markt-plaveisel daverden karren en het drukke vracht-vervoer van iederen Maandag. In een aanjakkerende opwinding van klanken, zongen de orgels uit de buurten rondom dansdeunen, en Tuchtigden een trompetterenden schellen roep naar onstuimige vroolijkheid onder de marktgasten. Triangeltjes klonken zoet, bas-stemmen dreunden en pauken schoten heet geraas uit, als van sissend ijzer in een koelbak.
Vrouwen, half en heel opgedirkt, met kinderwagentjes, schoven langzaam hun levende vrachtjes tusschen het volks-gedrang en handels-gewoel door, telkens gedompeld in schaduw en weer oplichtend in hel zon-
18*