290
maar die, op zoek naar zijn bezinning, kon nauwelijks meer gissen dat Mooie Karei er nog was. In het duistere kroeg-hoekje, pruttelde hij een wezenloos-dronken gesprek met zijn natte sigaar, tegen zich zelf. Een groen feest-kaarsje had hij aangestoken met eentoortsje en rond zijn dronkemans-tronie, vóór het donkere beschot, verbrandde hij een rooden walm, terwijl het avond-gele vlammetje beverig in de donkere kroegdiepte, om zijn neus heenzwalkte.
Mooie Karei wou niet langer blijven. In een druische-rig rokken-gewoel zwierden de meiden zingend de kroeg uit, elkaar de ponny beplakkend en de schildpad-vlammige kammen het opgetooide haar instekend, op schuine, over-dwarsche en engelsche manier.
— Maade,.... lachte Karei, zijn witte tanden bloot, om zijn mooien, kleinen, rechten neus een aanhalig bevinkje en in zijn grijze lok-oogen honderd lichtjes,
terwijl hij zijn snorretje opkrulde.....femiddèg in de
Willemstroat bij Lènge Jènl
— Haantje Punt komp fèst!.... schreeuwde de meid met het kikkervel.
— Dèn dènse we fèst 'n poatertje lèngst de ként____
zei Karei,.... ejuussies.... fraufolk! 'n frisch uurtje!
III
Tegen den middag woelde het Jordaanvolk eerst los. ״Lappies"-dag, kroeg-dag en Hartjesdag. Er was een wemelende massa op de been. De Augustus-zon blakerde de vuile keien; een gloed dreef windloos onder en over de heen en weer wandelende marktgasten. Aan de Wilhelmina-brug hadden Karei, de Bul en Hoomeyer een zwerm makkers opgedoken. Traag slenterden, bij stoetjes achter elkaar, de vrinden de markt op. —
De Westerstraat krioelde van menschen. De lange