287
— Seg schäurum!.... viel hij nijdig uit,.... kè jullie mit je dronke pitte, gein andere waas houwe?.... De meiden drongen zich, bangelijk kijkend naar de
kerels, óm Karei. Zwarte Peet was er bij.....Zwarte
Peet, de sterkste sjouwer en gevaarljkste bokser van de aardappelen-markt. Maar Karei vreesde niets; geen twéé Zwarte Peeten. Als een Dom, zoo stevig-nuchter voelde hij zich op zijn voeten. Zoo een salle-mander,.... most diè Onse-liefe-Heir beschimpe? ....
— De slèg bei Woaterlau____ Kei.... loat deur
op de mèt.,.. 'n pèrtaètje op de kaaje,____lolde het
politoerdertje, die, als de drank in hem begon te werken, veel beter tegen het slachten kon dan in nüchteren toestand. Hij knipperde fel zijn oogen in zijn ziekelijken kop en riep heesch, naar den uitgang wijzend, terwijl zijn roode vingers krampten van zenuwachtige vechtjeuk:
— Kuifduyker.... hier hei je de steine....
Zwarte Peet, een knoestig-gespierde, reuzige sjouwer,
een half hoofd nog bóven Mooie Karei uitstekend, drong dreigend uit het beschot-duister van het kroegje naar voor en brak in drift zijn jenever-glaasje op den toonbank-rand. —
— Mot jèi hadbei.... opschepper!
Een mismakende verdorvenheid gistte in zijn wreed-harde-oogen.
— Pfff!.... 't Is mauje Koarel.... blies minachtend de inzetter van de schimpliedjes.
— En ik sei je bloet suype!.... stormde plots in een driftgolving Zwarte Peet dreigend op.
Maar de meiden omdrongen in doodsangst Karei, hingen zich aan zijn lijf, klemden zijn armen vast.
— Gein haabel, tnènne.... suste éen uit het dronken stel, Zwarte Peet met zijn eigen waggelend lijf op de wankele beenen terugsleurend, geholpen door