286
door den Bul en het politoerdertje. Een meid, wild als een stier, drong op Karei aan, trok hem aan zijn snor en zei verliefderig-vleiend:
— Schèt,.... maan.... 'n lel bier.... sonder glesuur....
Al de meiden drongen nu het gloeiende kroegje in, puffend en blazend, versjouwd van het lachen. De rood-beblousde, wou een stuk ijs in haar schuimend glas. Sientje Poffertje, met de kromme armen en het kikvorschen-vel, beredderde haar biertje druk met suiker. —
In de kleine, bedompte kroeg stonden vijf kerels, het jenever-glaasje scheef en onvasterig in de hand, mallotig met kromme ruggen en ingezonken hoofden, naar hun schoenpunten kijkend, te cancaneeren. Om hun petten had het stel verbleekte Leger-des-Heils-linten geknoopt. Klanklooze, heesche en óverschelle stemmen dooréén, zongen wijsjes van het Leger op liederlijke dronkemans-woorden. Een zware kerel, hoog in de schouders, met een groen hemd aan en paarse das, sleepte dwars tegen de anderen in:
— 'n Sint 'n ey____'n sint.... 'n ey ....
Sau____riep____'t jau.... au .... tje.. . .
Mit.... saut ter.... bey!
Maar de andere vier overzóngen hem krijschend en reutelend; wouen alleen Leger-des-Heils-deuntjes met god-schimpende woorden.
Een onzindelijke meid, met likeur-zoete, blauwe oogjes, werd er onpasselijk van. Maar ook Mooie Karei kon die goddelooze spotternij niet verdragen. Nog altijd zat hij vast aan het strenge calvinistische geloofs-gezag van zijn vader. En al deed hij nooit mee aan kerk-gang en gebed, — schimp op het hoogere, maakte hem woedend.