284
wone menschenhoofd achter het plettende halsstuk van hun maskers. Stukken opgeworpen steen en koolstronken knalden op den reuzigen kalkhoed af, met doffen bons. De tronies, onbeweeglijk strak, staarden neer op de baldadigheden en keken, kéken afgrijselijk streng uit de beschilderde goliath-oogen met de stilstaande pupils. De strakke bewegeloosheid van de maskers prikkelde de opgewonden bende kijkers en meeloopers al heftiger. Telkens bonkten nieuwe projectielen tegen den hoed-rand en de tronie. Dan boog strak het gerimpelde cement-gelaat naar voren, werd het zware hoed- en kop-gevaarte van den levenden man afgelicht, vertoonde zich een woedend en blauw-rood menschengezicht, dreigend en vloekend naar het baldadige straat-tuig dat met vuil en steenen gooide. En dan dadelijk daarna, troonde weer en heerschte het reuzige gezicht met den gedrochtelijken hoed, hoog, hóóg voort-schuifelend bóven de joelende en gierende massa, tartend en ongedeerd, alsof onder zijn blik de wereld zelf ging ver-steenen.
— Ehau! ehau! ehauw!.... krijschten de jongens terwijl de steenen tronie van de vrouw heen en weer wiegde, met de steenen blommen, op de sleep-maat van een harmonica-liedje, dat ze zelf zeurderig-zwakjes speelde.! Haar vervuild carnaval-pakje met de gesleten loovertjes, flonkerde armoedig in de zon, terwijl haar blauw lint juist door een natten andijvie-struik besmet werd.
De meiden bleven achter Mooie Karei en de kerels, op den kroeg-drempel van Lorretje Pek staan gieren uit de verte. Vurige schunnigheidjes flapten ze er uit, naar den blommenhoed en de groene tronie van de verkleede ״vrouw", van wie zij, omdromd door de meejoelende bende, geen voeten en lijf konden zien.