283
Midden uit de oorverdoovend krijschende en gillende kinderbende stak een gedrochtelijk mans-persoon den kop op, met een driekwart-meter hoog-zijden hoed van zwartig verkalkt bordpapier en van geweldigen omvang. Onder den monsterachtigen hoed strakte een steenen tronie van klei-achtige stopverf-kleur. Ken korte, groene broek spande om de spillebeentjes en een rauw-roode, fluweelen rok, vercaricatuurde de korte armpjes en ingedrongen rug onder het cement-gelige reuzen-mom. De hoog-zij, blauwig-zwart, van een vertikale streep witte verf doorsneden, lokte gierend kabaal. Maar even erg het steenen gelaat: een Kuyperachtig-wreede rimpel-tronie; vermiljoen-zware hanglippen, scherp-uitgevleugelde neus met diep-ingekerfde neus-groeven, onbeweeglijk, uittartend-strak en van een onontroerbare nuchterheid tegelijk, die prikkelde. Vlak naast dezen hoed-man, stapte sleeperig-langzaam mée, een vermomde kerel in vrouw-kleeren, met kaal-gecar-navald loovertjes-kleed, van een zoetige, arabeske blommigheid doorcierd. Ook dit vrouwmensch torste een halven-meter-hoogen dameshoed, behangen van bloeiend-steenen rozen en blommen, met een lichtblauw lint om haar strak-steenen tronie geknoopt, terwijl ze in monsterlijke naiveteit en preutsige co-quetterie, een vies-geplakten harendot den nek in-krulde. Het vrouw-mom leek groen cement in het zonlicht. Telkens moesten de feestgasten hun los-opgezette kopstukken van den hals oplichten om adem te halen en te zien waar ze heendwaalden. Want lucht en licht vielen alleen door een enge mond-spleet, waarachter ze hun oogen te richten hadden. Ze schuifelden tusschen de joelende massa voort, botsten als in blindemanspel telkens op elkaar in. Dan helden weer de steenen tronies naar voor, ontblootten de vreeselijk zweetende mannen hun ge