282
Karthuizers-kerkhof, rookte in een soort vuilbruinen zonne-damp van al het ópgewarrelde speeltuin-stof, achter het enorme plein-hek weg-stuivend. Alsof vaten vitriool hun afkooksel hadden rondgeneveld door de buurt, zoo dreef gassig en bruin-goor de hitte-damp boven de goten en de walmende keien. Een machine-fabriek in de Karthuizersstraat dreunde een hevig geraas tusschen het kinder-gewoel, nabij een christelijke school, op het plein. Uit de diepte van de fabriek, die de heele straat in een helsch smidse-gehamer en geklank omtrilde, vlamde, als in een ijzersmelterij, telkens bij het opslaan der ovenkleppen, een rookend goudvuur los, dat zwart-gouden vonken versproeide over de half verduisterde machineriestukken en aanbeelden, ze even warlijnig oplichtend in een rossen walm. Walgelijk morsig waggelde een eng-beruite troep huisjes en diepten poelige keldertjes aan den hoek der tweede Lindendwarsstraat en Linden-straat tegen en naast elkaar; stoele-matters-woon, werkplaatsjes, snoep- en brand-stoffen-winkeltjes met triesten uithang van vuile boenders, sponsen, leerlappen en bosjes vuurmakers. Een steenkolen-achtige roetigheid donkerde over het zwarte pui-steen. De zon blakerde op de verflooze vensters en het vervreten kozijnen-hout een hoog-oven-gloed. Nog nooit had een zomer zoo hardnekkig de armste Jordaan-buurten geteisterd met zijn stofvretende vlammen, zijn inschroeiend goud dat heel de straat-ellende bloot-woelde. —
Uit alle verdiepingen der huizen, die half uitgebrand leken van vervallenheid, de gebarsten en ontredderde ruiten beplakt met vodden en kranten, hingen gore vrouwenkoppen en kinderen, op het Hartjesdag-gewoel in mee-genietende opwinding neer te zien. —