284
zich om en gaf het politoerdertje een klinker, pal op zijn warm-vlekkerig snuit.
— Morrege Sproetneus.... ik lus gein f'rkeiring mit de daud!.... schold ze met minachtend neus-ophalen.
— Wèt 'n giftig stuk swoerd----stootte Hoomeyer
er ontsteld-kwaadaardig uit.
— Mot je moar fèn me blouse blaafe.... f'rknaupte schoenfeiter....
— Gèif dèt petuur 'n moagstaut!.... hitste de naast haar loopende fabrieksmeid op, gretig voor haar vriendin partij trekkend.
— 'n Slok kaukende aulie,.... of 'n lik kauper-groèn.... wès je je broanie gauw kwaèt,.... viel nijdig-gekrenkt kleine Willem uit, zijn gehavende lampion en ratel midden in een gierende kinderbende gooiend, van loutere boosaardigheid. —
Op het oud-vermolmende Karthuizers-plein drongen al de meiden in een kring bijéén, vlak vóór de berucht© kroeg van Lorretje Pek. Ruwe handen zwaaiden een hoera uit. Een meid met een ingedrukten hals en kraai-stem, liet kleine zakjes uit haar rood schort opdwarrelen, om tartend te toonen, dat ze vandaag maling had aan de zakjes-plakkerij in de Looierstraat. Haar ruige lichaam rook naar gedroogde stijfsel en gom. Ze gilde een liedje van de fabriek uit, duwde zich, oorvormig, één hand op de heup, en begon, zacht-wiegelend het lichaam, tusschen het menschen-rumoer, op eigen houtje een walsje weg te fluiten. —
Langs de Linden-dwarsstraat bij het oude kerkhof, kwaim uit de Lindenstraat, een krijschende kinderbende aanwoeien, in opwinding saamgedrongen en toeterend op kermis-trompetjes, rond twee verkleede bedel-kerels. De Lindenstraat-hoek, bij het aloude