s8o
Karei had zich tusschen de meiden ingedrongen, werd nu voortgestuwd door hun armen-rij. Vurig zong zijn mooie mannestem mee:
— Mit heil de rèteplèn
Hosse, singe, dènse, springe Noar Artis, noar aume Bafioan!
De Bul hijgde achterop met Willem. Was dat hollen voor zijn zware pens? Natuurlijk, Karei had zich weer een warm plaatsje opgezocht. Hij kon niet achter de meiden blijven loopen.
— Mauje Koarel!.... schreeuwde een spaansch-donkere meid.... hei je je èrremaunicoa?....
— Je arremaunicoa! jèo!.... joa!.... gilden allen mee.
— Femiddèg____ femiddèg.... lachte Karei, zijn
aanhaligen snoet in zoen-smakkertjes ronddraaiend naar de meiden-rij, die hem voortduwde en zijn kussen tegelijk lacherig afweerde.
Mooie Karei monterde op. Nou keek hij niet meer alleen naar de zwei-buik en de zware hangwangen van den Bul. Daar had je het op heeter daad. De meiden wat-en er bij. En nóu de vrienden nog in het kippenhok. —
Het bleeke politoerdertje, dat zijn boezeroen-mouwen afgestroopt en zijn zweet-doorweekte grens weggeworpen had, ratelde plotseling hevig en.... ״moakte bekend":
—׳ Dèt se waèf.... heide.... befèlle wès fèn
'n fulkèchel____ büytemedèls____ te besichtige op
't kleniekie fèn 't peliesieberau.... Westerstroat.... te alle ontèaje....
Terwijl hij ratelde en op schandaal-colportage-toon ״bekend maakte", grabbelde zijn linkerhand telkens in den warmen, blooten nek van een zwarte meid vóór hem, die het schelst in de rij lachte. Plots draaide zij