79
en slankste van al haar vriendinnen. Ze droeg een hel-roode blouse met een gekleurde knoop-das. Een dofzwarte boezelaar om de taille gestrikt, verernstigde haar blouse-opzichtigheid. De vriendinnen jengelden wild en opgewonden dooreen.
— Noar Swèrte Jéns ....
— Neè,____ noar Moeke____
— Noar Rauje Hèin!____
Maar de roode-blouse-meid gluurde naar de schalk-sche oogen van Karei.
— Ik hep me glimmend bedocht.... bèi Lorretje Pek.... op 't Kèrthuiser!.... doar hèi je aèskout bier!
— Op mèrs!.... beval Karei kort.
De meiden, vóór de mannen uit, stoeiden, zongen en sprongen, al bleven de armen ingehaakt en de wiegelende lijven aangeschakeld tot een straat-breede rij. Ze schopten met hun beenen en zwiepten hun bruine, blauwe en zwarte onder-rokken in prikkelende dans-driftigheid óp. Eenige zang-kelen zetten in, en dadelijk in drom klonk het vol uit:
— Veil jeweile in ons Amstirdèm, Amstirdèm....
Amstirdèm!
— Moar gein jeweile as de auge fèn saan .... op de Siiyersei, Süyersei!....
Plots zwegen ze om de meid met de roode blouse te laten inleiden:
— En dèn komp per 'n dèg.... misschien Dèt ikke maan keirel terug sèl sien____
Schel gierden de vrouwen-stemmen nu door de straten; onbekommerd voor de hitte, schreeuwden ze zich de koppen rood en paars:
— O Amstelfolk.... wèt 'n fesoen____
ik hep gein rust,
ik heb gein duur....