277
— Die stèpt d'r de hèllefe moan üyt, heil sjikker----
schreeuwde hij uit de gang naar Bul.
— Wèt f'rdoe jèi?
— Ikke ondersoek 't woater-merk an de suytsei grinnikte hij,____soek tug 'n draafer feur 't nikkertje....
Vertrapte doode visch en ingewands-vuil lei de Tuinstraat-gang te doorstinken. De borrelende, neergeslagen hittedamp kroop en kronkelde door het vunze slop, waarvan bovenkrotten nog bewoond waren. Een scheefgezakte pui hield twee ruitlooze vensters in het gang-duister op, terwijl aan den voet van de steenen muren allerlei uitwerpselen van de straten lagen uit te walmen. Als een broei-hol, een donkerend gevang, diepte de gang weg in een blijvenden schemer. Een verstikkende dampigheid zoog het slop van de twee voor- en achterstraten in. Kleine kinderen kropen er argeloos óp, uit de schreiende somberte van het lucht-looze hol, goor-bleek, als beschimmelde wassen poppen, in gruwelijke versuffing van heel hun kinderwezentje sprekend en spelend. De tering-gezichtjes uitgegrauwd, leken alleen even soms bij een pretje de doode oogjes vurig aan te glimmen. De Jordaners zagen niet meer, door sleur en gewoonte, wat er weggesmoord leefde en wurmde in de schurftige gang; wat daar broeiden voor ziekte-kiemen. Willem lolde in het slop, kon niet vinden wat hij zocht.
Karei begon het geslenter te vervelen. Hij wou weer terug naar de markt, naar zijn gavvers. Plots voelde hij een ruk aan zijn jas.
— Dèg aume! 'n spie? asseblief.... eintje moar.... eintje!
Het was brutale Daantje van Neeltje Burk, die in zijn eentje van de Willem-, naar de Tuinstraat was afgezworven. Hij had pas in de Boomstraat een brandje gesticht, in tuchteloozen drang naar baldadigheid. Het