276
rige kooitjes uit te steken. De kanarietjes leefden onder de vertroetelende en weekhartige bescherming van de heele straat. Als tegen den avond, de zon laag langs Gijs' kroeg-gevel hitteloos licht uitschoot, en de kanarietjes de citroen-gele kuifkopjes en spring-jolige gele lijfjes goud-beschenen kregen, en ze begonnen te kwetteren dooréén, gelijk een zwerm verwilderde zangertjes, dan stond Gijs buiten te genieten, met zijn neuswarmertje zwart-gebrand tusschen de lippen, en bleven er heel wat Tuinstraters staan luisteren, alsof ze met het fluitend getierelier en zilveren keeltjes-gerolfel, een vervroolijking voelden gaan door heel de dood-sombere, kniezerige ellende-buurt. —
Hoomeyer en de Bul poogden lokkende tjilp-ge-luidjes van de lippen af te fluiten en slag-trillers met de tong na te bootsen, terwijl Karei naar een bezond kooitje opkeek, waarin een knus kanarie-paartje een verliefd gesprek met de snaveltjes hield. Een schoorsteenveger stapte norsch de kroeg van Gijs uit.
— Bi je 't of bi je 't niet? .1... informeerde Willem argwanend en de Bul omratelde de zwart-bestoven tronie van den man.
— 'n Klucht, jonges.... 't is Hannes Hompie!
— Immes, ik loat maan nie besausneigere.... ikke docht' er da je j'aage f'rmomd hèd!
— Loat je test rippereire,.... snauwde de schoorsteenveger barsch.
— As jèi je eirst 'n feèr loat insette.... kaatste Karei terug.
En spottend viel Hoomeyer in, op den wildemannig-uitzienden schoorsteenveger wijzend:
— D'r draaft hier 'n roar luchie.... heit ter iemènd broek-hoest?....
Hoomeyer was de gang van Tuin- naar Egelantiersstraat ingewaggeld, mompelde iets geheimzinnigs.