275
meyer een meid na, klauterde het trapje op met aapachtige been-bewegingen en woeste grijparmen. Het één-ramige Tuinstraat-logementje, met zijn vuil-groene hor, leek een half-gesloopt krot.
— Wèt mot jei in dèt berak?..... vroeg Karei,
terwijl hij den rok van de geschrikte meid uit Willem's roode handen loswrong.
Willem, zijn mom vóór, blazend en negertaal ratelend in het geblufte meidengezicht, speelde ״mandril", zooals hij dat eens bij Carré gezien had. Hij krabde zich onder de oksels, over de buik, bewoog zijn hoofd wel tienmaal achtereen, heel snel, op en neer, oog-knipperde achter zijn masker en schoof als een beest op zijn achterste de stoep-trap af. De meid, tot bedaren, schold hem stijf. —
— As 'n kouwe windstreik is tie lèngs me gegoèn .... dèt stuk f'rgif!.... riep ze de slaapstee in, waar ze gierend uitgelachen werd, omdat ze zich zoo bang had laten opjagen.
— Nou eirst bèi Gaas.... eintje tussche de koake glaèje.... eischte het politoerdertje, die verschrikkelijk zweette door het telkens af- en voordoen van het mom. Zijn bleek gezicht met de knippende oogen leek met mastiek ingewreven van transpireerende vettigheid. —
Gijs' kroegjes-gevel in de Tuinstraat was rond het heele raam, van de vensterbank tot buurmans eerste verdiepings-kozijn* omhangen met kleine bruine, zwarte en gele vogelkooitjes. Dat was Gijs' roem in de straat. Als 's morgens heel vroeg al, zijn gele kanarietjes, zelf gebroed en opgebracht, stoeierig begonnen te fluiten en te kwetteren, dat den buren hooren en zien verging, dan was Gijs eerst in zijn schik. En geen dronkaard, geen kwaadaardige, geen keien-schenner die het ooit waagde een hand naar de kleu
18*