273
Toespelingen op zijn sproeten verdroeg hij nooit lang. Nijdig schold hij den Bul terug voor ״swendelpens". En, als alle volksmenschen, snel gekrenkt, onberedeneerd doordravend, schold hij kefferig voort, wou hij niet meer met Bul verder op stap. Mooie Karei suste met gemoedelijke woordjes. Dat deed Willem goed. Zijn oogen knipperden zenuw-snel,.... hij voelde zich inééns weer de oude. —
— Hou je kaufert in je klefiere.... as je je petraun in 't gemoed laup!.... dolde hij naar Ko-sta-je-Vast, die met den hoed op zijn hoofd was voorbij gegaan zonder hem te zien.
Ko, gebluft dat plots zijn hoed van zijn kop werd gewipt, wou dadelijk toeslaan, toen hij kleinen Willem achter zijn opgezwollen mombakkes zag uitloeren.
— Nou sel je 't hebbe.... lachte Ko-Sta-je-Vast goedig naar zijn collega.
— Sapper jèi,.... hoonde Willem.... op Hèrtjes-dèg? .... peise?.....loat je hènge!____
— Hènge? .... lachte Ko-Sta-je-Vast, een politoerder
als Hoomeyer, ijverig, nooit-verzuimend werker,____
wèt scheilt maan je Hèrtjesdèg!....
— Nou, je bin fèn de kles-kles.... 'n neusdruk mos je hebbe____pochte 'kleine Willem.
— Steik de maurd.... barstte Ko uit en liep door.
Willem, met zijn opgestroopte mouwen, sloeg zijn
feilen ratel rond en stak zijn tong door de lucht-spleet van zijn lach-mom.
In de klein-breede Maagdelievenstraat, vlak bij de Tuinstraat, hingen drie groote vlaggen uit drie kroeg-deuren, bijna de keien rakend. Drie visch-colleges hadden op één dag prijs gehengeld en hun rijtoer te verlollen.
— Dèt wort Jèn Kloasse,.... lachte Karei, zich langzamerhand uit zijn verzonken triestigheid los-
De Jordaan 18