272
kleurigheid van schuiten en roeren; alles, om dien hoogen toren, met zijn inkijk op al de, in het front bijéén gebouwde, nauwe Jordaan-zijbuurten. Heel de Egelantiers-dwarsstraat, met haar doorkijk op bruggetjes en Westertoren, lag nu als een zonnig wijkje, oud-steedsch, door allen pronk van het nieuwe vergeten. Overal op de lage huizen, verinnigd door saamdrin-gende gezelligheid, bedakinkjes op daken, raampjes op ramen, verdekte venstertjes en geultjes op groote vlakken, opgecierd met bloempotten en verouderde knussigheden, straat-verhuiselijking van een karakteristieken bouwtrant. Er stonden oude, ingezonken gebouwtjes, als zich stram-inspannende grijsaards die nog rechtop willen gaan; kluisjes als groote stoven, huisjes als verdoolde hofjes; huisjes als gezellig-knusse visite-woninkjes van gouwsche-pijp-rookers en koffie-slurpers, omstoven van oude geuren, kruidkoeken-geur en geur van drogisterijen; pek en touw-geur, tabak- en jenever-lucht, doormengd, vereend. En tusschen al die oud-steedsche, Amsterdamsche karakter-buurten, de schrikkelijke, naargeestige gangen, waar hier en daar, oude boomen achter lage, blinde muren, op riekende, vochtige binnenplaatsjes hun ouderdom en vereenzaamde triestigheid verkniesden, in kloosterachtige, verschimmelde hoekjes. —
Ook van de nauwe zijstraatjes bij de Egelantiersdwarsstraat joelde kinderkabaai, onder warrelend stofstuifsel.
Op alle smerige stoepjes en houten trapjes ging Hoomeyer zitten, burleske bedreigingen ver-boê-end naar de kinder-zwermen. Hij had in een kelder een geschonden masker gevonden, een mom met gezwollen, vermiljoenen neus en kaas-bolle koonen. Daar zat hij nu onder te blazen van benauwenis. —
— Nou binne je sproete geburrege.... neusl lachte de Bul.