271
dat fonkelde over het water als een wemelend vuur.
Bij de dwarsstraat groette Hoomeyer den Westertoren, die hoog over de gracht- en zijstraat-huizen en huisjes, de lucht inboorde, al dé groezelende Jordaan-buurten overheerschend. —
— Dèg lènge Jèn,.... joolde hij tot den toren,____
kum d'r nou is uyt jc snit fedoag.... en dèns ereisies 'n kedriljetje!....! lènge, staafe Jènt
De oude, bruin-baksteenen gevel-muurtjes van de Eerste Egelantiers-dwarsstraat-huizen léken in de hitte te verzwijmen en te verwelken onder den grachtenstank. Op de vermolmd-houten trapjes met uitgesleten leuninkjes, tegen de afgebrokkelde huisjes-stoepen opgedrukt, lag het droge straatstof te gloeien als heet zand. Heel de buurt rond, zuchtte amechtig in snik-hitte. Van de Egelantiers-dwarsstraat uit gezien, stond de Westertoren strak, hoog en spits-slank, in een grijs-violette zonnigheid tegen het strak-uitgespannen luchtblauw, zijn gouden bol en weerhaan schitterend in louteren glans. En heel de oude stad er om heen; de lage oude huizen in front en zijkanten van grachtjes uitlijnend, met hun pannen-rood dat schel gloeide in den gouden dag-schijn. En al de verweerde of bijgepleisterde bemuringen en oud-eigenzinnig uitkijkende, naar voren springende topgeveltjes van aloude gebouwtjes aan zijn voeten. Alles er om heen oud-steedsch, be-zónd, doorwarmd van nooit-te-vernieti-gen intimiteit, omwasemd in een gouden, violettige sferigheid, die afdampte van de oude, krom-hoekige grachtjes, het brakke water, de lichtende boomen. Alles van innige buurt-intimiteit, lei aan den voet van den spitsigen Westertoren neergedoken; het pannetjes-rood boven cierlijk-ingebogen trap- nokjes, de kromme, verbogen Prinsengracht met haar plotse inhammetjes en zwenkingen, haar oud-Amsterdamsche