270
zijn oker-rood gebrande handen met den ratel en kraakte een helsch geklepper langs Burk's lijk af. Zijn boezeroen-mouwen had hij tot aan de oksels opgestroopt. Zijn geel-witte huid bleekte als uitgekookt kippenvleesch naast de zwellende volheid van BuPs doorpurperd-paarse koonen.
Nou speet het Karei dat hij zijn harmonica niet had meegetild. Dien sproetneus zou hij hebben laten hinken en springen als een clown. —
De lange, enge Egelantiersstraat lag in een broeienden hitte-nevel vergrauwd van warmte. De droog-geschroei-de keien, bezaaid met vuile kranten-fladders en groenten-afval, dampten een zanderig-heeten gloed af en een armoe-lucht van onopgelosten menschen-wasem. Een groezelige kleurigheid van groentestalletjes in gouden zon, doorbrandde de volksbuurt met een sjofele weelderigheid. Het indisch rood, vlammig oranje-geel en groen-blauw van, voor één avond plots opgedoken, Hartjesdag-kraampjes, mengde een broeierige kleurenschittering tusschen de morsige grauwe huizen met het vergoorde baksteen: —
Bij de Eerste Egelantiers-dwarsstraat stond een orgel te trompetteren en zware basklanken af te dreunen. Kleine meisjes, harkerig stijf, dansten een polkaatje. Het kermis-mooie voorblad van de kast, fonkelde zon-goud af. De dwarsstraat lei vol zingend gerucht. Van de hoog-gebuikte planken bruggetjes joelden kinderen aan en af, spogen over de lage leuninkjes als in afgesproken spel. Het grachtwater, blauw-zwart ver-modderd, overzaaid met stronken en vuil, stonk als een opengegraven riool, zoog de woelige straat-kleuren met felheid in. Boven den wal dreef violet gedamp, een zwoel-zoete ontstijging van gassen, ruikend naar bedorven eieren. Onder het bezonde boomengroen spatte een zilveren gloed van onderschept licht uiteen,