272
— Dèttie.... se sau op 't sondebènkie fèn 't Haals-
leiger droagt?____ sau'n geelgieter-mit-suyker,
sau'n oftreksel fèn Sjekau.... sau'n nommertje nul!.... Karei, die pas was opgestoven voor een mishandeld paard, vond dat nou niets, Mie zelfs een koordaat wijf en den politoerder een schijnheiligen ״janmaker". —
Het politoerdertje stond nog te beven en een paar tranen sterden zijn oogen nat.
— Hei je me aujt sau'n gedrocht.... in sau'n eng hertje gekneipe? .... moar.... mit se jètte fischt tie tug de faanste kluyfies uyt de pèn____nou jèi?____
Door den Bul, Karei en zijn vrouw, werd Willem nu in het hoonend krakeel getrokken, met spot en ironie. Vooral Mie, haar vet-glimimend zinnelijk gezicht tartend vooruit gestoken, bonkte met zware lachstem, beleedi-gingen op zijn bleek hoofd neer. Met de rood-gebrande terpentijn-handen de hoogte inzwaaiend, de zenuw-oogen fel knipperend, weerde het politoerdertje af:
— Alles goed en wel,.... alles goed en wel.... moar ikke mot 't nie.
— Sau'n bokser op sèchte aaere.... hoonde de Bul,.....
hèi mot nie!.... lik je sproete fèn je mom.... bi je Eppollau fèn de Hoarlemmerdaak!....
Mie Hoomeyer plakte weer klappen op haar vette dijen van den lach, terwijl de stinkende vloer door de verschooierde kindertjes met den pook werd beroffeld.
De Bul troonde Hoomeyer mee op straat en nauwelijks buiten of hij joolde, zong en cancaneerde met schuin-verdraaid plezier-lijfje, als had hij een loterij getrokken. Van de Prinsengracht zag hij een stoetje vermomde kinderen met vlaggen en lampions, luidruchtig de Egelantiersstraat in-herriën. Dadelijk moest hij het „gereidschèp" van Hartjesdag. De Bul kocht hem een smalle, rood- en geel-gestreepte lampion, en een krakenden ratel. Onder Karel's arm door, stak hij