26 7
het licht staan als een zonnescherm. De kinderen deden in onbewustheid mee aan de zwijnende haveloosheid van de zinnelijke moeder. Drie kinderen, anders geborgen op de school van Heil des Volks, in de Willemstraat, zaten nu bij den zurenden terpentijn-pot in het duisterste kamerhoekje, elkaar porties van uit den goot opgebaggerd garnalen-afval toe te bedeelen, met arge-looze speel-stemmetjes de buit aftellend. Moeder Hoo-meyer had geen schoenen voor haar kroost. Het oude schoeisel was tot aan de zolen stuk-geloopen. De kinderen waren naar huis gedragen door een helpster van de school. Het plaagde haar even door het hoofd, maar méér nog kwelde ha!ar de zorg, hoe het vetgemest konijn onder de bedstee uit te krijgen. Toen Karei binnen kwam had ze het schuwe beest met een stronk bloemkool gelokt en het net bij zijn ooren het stinkende stroo, naar een verwaarloosden stal riekend, uitgesleurd. Nou vandaag moest haar ״uytferkaurene" genekt. Het vette, geelachtig-bruine konijn vermoffelde schuw zijn ooren toen ze het dier losliet op haar hand. Het snuffelde benauwdjes rond en brugde zijn rug plots als een geschrikte kat. Door zijn bewegelijken tril-neus leken zenuwen op en neer te kruipen en telkens wou het beest Mie in de hand bijten als ze in luid lach-geschal naar zijn ooren greep. Het bleeke politoerdertje keek weekelijk-aangedaan naar zijn geweldige vrouw óp.—
— Mie.... je weit nou einmoal.... ès dèt ikket nie sien ken....
Er klonk iets van beverig meelij in zijn stem. Mie duwde haar voeten in achterwaartschen stand.
— Wèt sau 't sproetneus.... 'n kenaane-maurd is
t'r goar gein maurd!---- lachte ze op uitjauwerigen
toon, terwijl ze het konijn nu met de linkerhand aan de ooren vastgreep, het krampig-spartelende pootenlijf liet draaien en hangen voor de schuw-knipperende