264
Terwijl ze de Egelantiersstraat inliepen, kwam een sleeper woest een hoek-kroeg bij een dwarsstraat uitrennen, en hengstte zijn paard, dat schichtig trappelde in het span, zóó hevig op den neus, dat het bloed zijn bek uitdruppelde op de keien. Karei, die er juist langs liep, sprong hartstochtelijk-woedend bij, rukte den Sleeper van zijn paard weg en schold hem, trillend van drift, omver. —
— Rauje dief!____ beistebeul!.... mot je mit je
dronke kop.... dèt stomme dier rèmme.... kaak! 't Stomme beist bloet ès 'n run!
De roodharige sleeper, geschrikt van Kareis dreig-oogen, voelde zich toch door dien ruk gekoejeneerd. Met zwaaiende armen en kwaadaardig-gespannen vuisten wou hij Karei te lijf.
— Waar moei jij je mee? ... krijschte hij naar Burk.
Met één snellen kopstoot had Karei heim achteruit geslagen, dat de kerel stond te waggelen naast het paard, op zijn beschonken beenen. Een agent was van de linksche zijstraat bijgesprongen. Met strenge afkeurings-woorden haalde die een boekje uit den zak, om proces-verbaal te maken tegen de beestenmishandeling van den dronken sleeper. Weer draaide Karei bij en strafte den sleeper met hoonende woorden.
— Sau'n rauje dief____ rèmt t'r 'n stom beist
se moste je jompe.... sau'n seinuw-autemebiel.... Mot jèi frèchtraèje mit sau'n bieteknèr?.... goèn op 't dèk fissche.... fèng je fliegers....
Dieper van zenuwachtige opwinding perste hij zich de handen de zakken in. Een bende nieuwsgierigen was om den vloekenden sleeper heengedrongen, maar de agent duwde bazig den weerbarstigen roodkop naar zijn paard, dat met dampende hitte-borst stond te trillen op zijn pees-magere pooten. Bul, bang voor erger, trok Karei uit het standje mee naar den politoerder.