262
zelf maakte. Langzaam zag hij Karei weer uit zijn strakheid bijtrekken. Nou kon de vent ervaren dat hij niet valsch speelde, niet gapte. Maar het was den Bul, — één bonk gloeienden speel-hartstocht — een helsch offer. En toch zou hij nog verder gaan. Hij telde, hij; Zijn zware vette stem klonk snorkerig-uit-dagend in het stille kroegje tusschen het bolderend-dof ballen-gerol. Hij moest er ook een grapje overheen gooien. De vent keek zoo zwartgallig. Karei stootte en miste de twee andere ballen.
— Die goat op sokke,.... lachte de Bul, de geluid-looze rolling van den bal bespottend. —
Ook hij miste, moedwillens. Karei, wild, knalde een zwaren doorschiet-stoot af.
— Heire-me-sestien.... joligde de Bul gemaakt,.... es jei 'n deursohietstaut moakt.... stoat de klok stil.... Hij telde, hij; nu te veel voor Karei. Nou zou die toch wel van zijn argwaan afgedwaald zijn.... Jonge, daar had hij zich met benauwenis uitgewerkt. Maar weer verstrakte Kareis gezicht. —
— Bul,.... zei Karei plots streng,.... ik weit niet wèt feur slèg je uytgaujt.... nou hep ikke weir te feul en jei te min.... ikke stop.... jei set maan op me neus.... ik möt nie!
Met gehuichelde verbazing en schrik, bestreed de Bul heftiglijk Karei. Hij stoof óp en zei schamper met een valsch-sluw omkeeren van de rollen,.... of Karei soms niet tegen zijn verlies kon? Burk had nijdig en heelemaal in de war gebracht door Bul's sluw-bedriegelijk doen, zijn queue op het biljart neerge-smakt, wou niet meer.
— Te wèrm!____blies Karei kregel van de hitte uit,
op een stoel neerzakkend.
Zenuwachtïg-druk praatte de Bul het weer goed.׳ Nou moest Karei vast mee naar de Egelantiersstraat bij een