258
de Hoofdwacht eentje grijpen, waar de gezelligheid broeide van ganzen in een moerassig-zonnig poeltje. En dan nog een slentertje rond de markt. Hoor nou eens, die straat-deun weer uit jengelen; als hij niet oppaste schoten zijn voeten ten dans, voor hij eigenlijk zelf wou. God-alle-Jezus, .1... wat was het heet. Zoo een gloeiende Hartjesdag zou zoutige kelen bevallen, en gare hazepootjes op het bord brengen.
In de Hoofdwacht-herberg hoorde hij achter een schotje, dof gestommel en gesnork. Viel tegen. De herbergier klepperde met zijn lollige zwaai-armen breed uit. —
— Blinde Jaonus soagt se luchtkesteile,.... lichtte
de gelagbaas in; —____sau maf-tie al fèn neige.... en
draume dèt de keirel doet!.... als fen se nèkyfe!.... Koarel!____komp d'res lense!
Karei keek schuw achter het schotje, op de bezwijmde dronken slaap-tronie van Blinde Janus, een looienden diamantslijper.
— Ikke heppem,.... lachte de herbergier wreed-onverschillig,.... al peaper loate snuyfe en mosterd
loate likke.... moar____hei is t'r nie uyt se snurrekie
te breike....
Karei lei traag zijn zes slokjes-centen op de toonbank en slofte de kroeg uit. —
— Bedurrefe oès!.... gromde hij voor zich uit.
In de Bloemstraat liep hij de Bul in het gemoed, die glom van zweet.
— Hei Bul, wèt feur 'n slèg goa jei nou uyt, hou je Moandèg?....
De Bul liep mee. Even moest hij in een slop, in de Bloemstraat zijn.... Of Karei zoover meestapte? Karei knikte. Met zijn drillend schommel-lijf wrong de Bul zich, het hoofd ingebukt, door een nauw, laag-overwelfd, duister poortje. Naar een krommig weg-