257
zich een echten Maandag-looier, van binnen vol vadsige stemmigheid. Ellendig jammer alleen dat het zoo smoorheet was. Zijn boordje begon waratje al te zwijmen. Tóch moest hij zijn akkertje vinden vandaag, al wroegde er nog zooveel onrustigs in hem. Met een stuk haring kon hij veel nattigheid mans worden, en anders maar de duiven-kervel aangesneden. —
Rond de lage Noorderkerk-muren groenden de boomen in lichtende goud-stoffigheid en langs het klimop en verweerden steen, zengde de zon een roosterend vuur af, in blauwigen na-gloed. Het schuine leidak gloeide zilveren weerschijnen af en spetterde fonkelingen onder en achter beschaduwde bladeren. Het hitte-licht kookte op wit-jakken en schorten van markt-bezoekende Jordaan-vrouwen, die in drommen, etend en pratend, tusschen de nauwe doorgangetjes van stallen en kraampjes sloom voort-slifferden. Een markt-zangerig ventgewoel omdruischte de tentjes en gonsde van de lange Westerstraat naar Prinsen- en Brouwersgracht dóór, als het zangerig saam-stemmen van trompet-schallende vijverzwanen, in lente-morgen.
Mooie Karei keek; keek rechts en links; naar kroegstoepjes en venters-karren, in de schaduw van het marktplein, aan den wallenkant, achter elkaar opgesteld, maar zag geen makkers. Nog te vroeg, bromde hij. Twee orgels, op Westerstraat en Noordermarkt, begonnen plots tegen elkaar in, den zwengel te roeren. Het schelle, oor-scheurend gepauk en klank-schetterend getrompetter, deed hem rillen. Een dollemans-hurrie. Zou hij even naar de Willemstraats-brug gaan kijken of er al lanterfanters uit de buurt hun dag-nieuws stonden te bebabbelen, hangend tegen de leuning, de grachten overstarend met een blik die alles vond en niets zocht? Als hij zijn kuch liet hooren, zouden ze weten wie er wachtte. Nee,.... eerst in
7
De Jordaan