256
vriendschaps-vertoon, als huichelende duimlikkers.
— Oele,.... oele! schaterde Karei dan minachtend, blies ze een mondje bierschuim in het gezicht en liep weg, zonder een woord verklaring. Hij had bij hen door de venstertjes gekeken.
II
Karei Burk slenterde juist de markt op, toen de Westertoren, hoog in de brandende blauwe lucht, het carillon van twaalf uur afklingelde en zijn klank-verspringende warrel-melodie over de gezengde Jor-daandaken uit-zong. Wat was het toch een fijn gezicht, zóó, van het glinsterende en vonkende water óver de dwars-bruggen de lucht in te koekeloeren, tot je in de verte het torenhaantje in de hoogte zag blinken als een gloeiende, trillend-gouden wiek van een stil-drijvenden vogel in het starre blauw. Nooit had hij met zooveel traag plezier gekeken naar de huizen-, nokken-, en boomen-inspiegeling, en de kleurige wemeling van alderlei voer- en vrachtschuiten, opgepropt langs den wal.
....Jonge....tjonge.... een dag van genade voor een garnizoen meiden kon het worden!
Van straten en uit dwars-sloppen krioelden drommen tierende schoolkinderen, vechtend, scheldend of spelend, met kleine wapper-vlaggetjes in de knuistjes, en geel-oranje, hel-roode en blauwe vloeimutsen op de smerige en zweeterige of wild-lachende kopjes. De Noordermarkt dampte een wasemend hittegoud af, dat zengend invrat op tent- en zeildoek van de eng-opééngedrukte stalletjes en kramen, en een wittig vuur afflakkerde op waar en kleurige stoffen. Karei, de handen diep de zakken ingedrukt, — een gewoonte die hij ook in de warmte niet kon nalaten, — voelde