255
zenuwachtig en rood-opgewonden. Hij had een begoochelende overmacht op hun zinnen, hij bracht een verwarring in hun gedachten, die ze hem argeloos lieten zien. De luidruchtigste en overmoedigste meid sloeg hij met altijd scherper en kwetsender scherts uit het lood. Hij hield van het snijdende en vlijmende tong-gevecht met vrouwen, die door grillige opgeblazenheid een man kwaadaardig wilden overblaffen. En dan, onder het omstrengelen en los-spartelen, opnieuw stoeien en weer terug-strompelen, werkte de onbewuste macht van zijn verschrikkelijke oogen, die alles uitdrukten wat hij wilde zeggen zonder woorden. Juist dat dubbele kijken van Karei, zoo overheerschend en naar-zich-toesleurend, en dan weer zoo minnend en vleiend-innemend, heelemaal om het liefhebben zélf, gaf hem een altijd nieuwe aantrekkelijkheid. Soms was het net alsof hij ze dwong tot geven, zich overgeven met heel hun trillende wezen. Weerstreefden ze lichtelijk, dan keek hij hun aan, dat ze de schrik om het hart sloeg, met wreed-wilde oogen. In Karei bleef het alleen de onmiddellijke reactie van hun niet dadelijk-willen, op zijn verlangen. Voor hun leek het een beangstigend dreigement, dat ze deed rillen en aan hun liefde voor den mooien jongen nog apart een soort van vage vreesachtigheid meegaf. En soms, als hij losbarstte met zijn ruwste mannenkracht, in de kroeg, op straat, vechtend en altijd partij-trekkend voor vrienden of meiden, dan was Karei voor de vrouwen een schepsel om je voor te verdoen. En toch werd hij beschimpt, belasterd, nagezongen soms, en door velen gemeden als een ziekte. Maar sprak hij die schimpers en kwetterende bekladders-in-het-geniep, met één hartelijk woord een keertje aan, dan voelden zij zich trots op zijn genegenheid en drentelden ze om zijn hielen, met drok welgevallen en opzichtig