254
innigheid, een hevig-hartstochtelijk temperament, dat zijn gloed oversloeg op al de vrouwen waarmee hij omging. Hij kon, hoe kort ook, liefhebben in een woeste bedwelming, met een vurigheid die alles op het spel zette. Zoolang hij liefhad, was hij één met hun wezen. Hij wist met ze om te springen, ze pleziertjes te verschaffen, ze op-te-vroolijken, ze uit naargeestigheid los te werken. Ze waren dol op en tegelijk doodsbenauwd voor hem. Voor den minnaar één liefde, voor den man één huiverend ontzag. Want ze wisten, wisten diep, dat Mooie Karei tot alles in staat was. Hij sprak niet van, maar hij gaf liefde, en al het vuur van zijn minziek hart. Hij kon hun afranselen als ze sarden, kwelden met koude wulpschheid of berekende gevoelloosheid. Maar wat hij ook deed, ze bleven dol op zijn moed, zijn kracht, op zijn voorvechters-schap en op dat breede, goedige, vleiend-innige in hem, dat ridderlijke, zoolang hij van ze hield. Ze waren dol op zijn mooie, slanke mannenlijf, op zijn gaan en staan, op zijn spot en zijn ironie. Ze besnoven den verliefden adem in hem; het zwoel-vrouwbekorende, dat alle theorieën van fatsoen en eerbaarheid opslurpte, en de vrouwen in zijn tegenwoordigheid deed worden als lichtzinnige en speelsche kinderen. En dat toch niet alleen bleek, wulpsche verliefdenis, roering van zinnen. Het was zijn overgave, zijn levensgloed, het tintelende en spottende van zijn heele natuur; zijn fijne speuring van hun eigenaardigheden en verlangens, zijn diep toetasten in hun innerlijk, in hun smachtende binnenleven waar hij zijn woorden scherp en kloek doorheensloeg. Hij zag het blinkende van iedere vrouw; hij zag ze dadelijk in hun kracht en hun zwakte. Hij zong het liedeke dat ze altijd verteederde; hij sprak het spotwoord dat ze altijd deed gieren. In zijn nabijheid leken ze van lorretje geprikt, kakelden ze