247
kenvolk, met hun loensche pikanterie. Eén had hem een stel oorbellen gekost, de andere een snoer kralen,.... een hak-trap zouden ze waard zijn. Met Dolle Gerrit had hij nog het meeste te doen. Pas zeven maanden getrouwd, toen zijn blond kanarietje haar kopje door het kooitje stak en Karei naar zich toe-floot. Het had hem later erg gespeten, maar het was gebeurd en daarmee basta! Hij had zijn gedachten nog eens opgepoetst en zich herinnerd dat het heele-maal door haar was begonnen. Toch hadden de laster-buren Dolle Gerrit ״gevoerd" en opgehitst. Eerst had hij zijn blond wijfje afgerost, maar die bleef loochenen. Toen was hij naar Mooie Karei gerend, in vloekende onstuimigheid.
— Hei je porsie an die fraüw? .... bad hij gevraagd, bijna stikkend van drift.
Karei, voorgelicht door kameraden, had doodbedaard ontkend. Voor geen tien gillende en dreigende Dolle Gerrit's was hij bang. Hij ontkende, om haar; omdat je over zoo iets niet spreekt. Overigens kon hem de heele boel niet bommen. Zijn ziel was al zoo zwaar belast dat er nog wel een pondje zonde bij kon. Met onversneden zinnen zou hij anders frank-uit gesproken hebben. Het was een dot van een wijf, met de nietigste snuisterij te sussen. En zoo rijp van zinnen als een bergamot-peer in October. Die lammeling van een Dolle Gerrit met zijn groote paarden-oogen en zijn schreeuw-bek, zag niet wat dat blonde vrouwtje voor verkoesteringen wou. Er was in al die kerels geen fut en geen fonkeling meer. En toch had hij zich zwak en toegeeflijk tegenover Dolle Gerrit getoond; had hij zich laten bejauwen en beschreeuwen, omdat hij moest liegen....
Leendert Warner was voor zijn linke zus opgekomen. Moest hém loenen;.... een doorgefoerneerde