245
En nou vandaag weer Hartjesdag. Vroeger, vóór het Paling-oproer, een dag van helsch feestgewoel, zooals Karei hem nooit gekend had, zei Oude Burk naar zijn zoon, die zich net had opgemonterd onder den gootsteen. Mooie Karei vond het beroerd dat het weer zoo moordend heet was .... En toch ...!. toch.... het moest een jooldag met woelige rokzakken worden. Terwijl zijn moeder keef dat het zoo smerig was, eerst te eten en je dan te kammen, zonk er over Karei plots weer dat gevoel van landziekige bedruktheid. Moest hij nog meer van de Haarlemmer-olie likken? Het werd een soort van plagend wroegings-gevoel, dat gal spoot in zijn vreugde, en zoo vreemd de uitgelatenheid van heel zijn wezen kon dompen. Toch wist hij wel wat innerlijk in hem bezweek, wat daar van binnen zoo branderig sarde en kwelde, al wou hij het zichzelf uit den zin praten. Het was piekeren om het gedreig rond-hem-heen, het morrende lasteren van geburen. Ze hadden neus en mond vol over hem. Hij sprong buiten de duimen, vonden ze. Ze verafschuwden zijn vrije vergenoegens uit jaloerschigheid. Met hoopen kwamen de kakel-monden los over zijn gedrag. En toch, slechts een enkele die hem iets afkeurends vlak in zijn wezen waagde te zeggen. Zulke giftige angelbeesten, tegenover hém zoo beteuterd en achter zijn rug de gif-kaak rammelend. Bij een paar opgehitsten was gedreig in daden uitgebroken; afgunstige vrijers, een wraakzuchtige broer, een brok familie van de-״eer"-klappend, of een gekrenkte echtgenoot. De laatste maanden had Karei met een heel stel dreigers en knokkers afgerekend. Met schielijkheid was alles achter elkaar opgedrongen, alsof ze het onderling hadden afgesproken. Jan Terwee kwam hem, met onbetoomde drift, voor de drinkbank van Zwarte Jans rekenschap vragen. Ze hadden hem gewaarschuwd dat zijn knappe dochter