244
het allemaal: hij was niet alleen de beste paling-rooker van den Jordaan, maar ook de gewichtigste ״steunpilaar" van den Oranje-bond; en een der oudste en vurigste Oranje-klanten, niet alleen voor het „uiterlijke gezicht" In zijn leven had hij zes en twintig keer een hand gedrukt van de koninginne-moeder; acht keer van Willem III, en dertien keer van Wilhelmina. Zijn hand te mogen drukken was wederom een eer geworden. Hij had acht-en-zeventig Oranjefeesttribunes helpen in elkaar timmeren; altijd dezelfde planken, dezelfde spijkers, in reserve opgeborgen op het Klooster in de Willemstraat; altijd met dezelfde bordpapieren kleurschilden en oranje-wuif seis ver-cierd. En hij had zestien keer „spieses" afgestoken aan het koninklijke rijtuig, met verstikte stem en fluisterend van heesche benauwing, alevel rondom bewerend dat zijn „spies" geklonken had als een klok. Toen ze hem eens hadden gezegd:
— As je kleidje laat.... komp de kaunegin bij je op thèi-fisiete .... had hij hoogborstig geantwoord:
— Gekkighaad.... suk haug pirseneil mot je alleinig bekaèke op 'n afstènd.... as se sau minselik bèi je komme is de polletoer d'r of....
Nou, gichelden ze, hij wist het wel de Oude,.... hij was en bleef met zijn wijf, een pronkstuk van de buurt. De Oranje-klanten eerden hem als een bollebof. En in Oranje-vriendenkring klonk, naast de namen van Sproet, Krisje Van der Woude, Plug, Rins, Jaap Kookvet.... zijn naam Burk als een dreunslag van den klokketoren. Zelfs Heintje van Loenen over-schitterde hij in Oranje-vurigheids-reputatie. —
Zoo, goochem, had hij wat stiekeme grijpstuivers vergaard, door hem en zijn vrouw verborgen, uit angst voor leegplundering van Karei, Thijs, Stijn en de heele sjofele familie....