243
bondenheid, — toch bekrompen klein-burgerlijk en verkneld-weggestopt leven, uit angst ״voor-wat-de-mensche er wel-van-zelle-zegge." — Vroeger, ja vroeger was hij zelf een dolle gast geweest. Leek al bijna het geheugen uitgebleekt, nu.... gauw vijftig jaar getrouwd. En heel wat heete hangijzers had hij in zijn leven al moeten vastgrijpen om staande te blijven. Dat hoefde hij niet in de smoorpan te fluisteren, want een ieder in de buurt wist het. Alleen, als de menschen van de straat maar niets van slechte streken of onfatsoen, in den neus snoven.! Toch was hij gauw gekalmeerd, veel gauwer dan Karei op zijn leeftijd. Al zijn hartstochten had hij leeren versmuigeren tot fatsoens-berekeningen. Het was er tegelijk met de kerks-heid ingepompt. En hij bevond zich er goed bij. Vroeger stond hij als de beste, iederen Zaterdagavond op de duivenmarkt, was hij een ״plat-houêr" geweest van tweehonderd stuks, en kocht hij zijn korfjes blauw-bonten, hagenaartjes met puur-witten snavel, of verkwanselde zijn Blauwen doffer tegen een zwaar-gekropte zwartpennen-witstaart. Ook hij loerde de duifjes in den kop of ze witte oogranden hadden en ze mooi afgestempeld waren, en of ze den krop zóó zwaar zweiden dat ze achterover waggelden op de til. Ook hij spande de duiven-vleugeltjes uit als een dof-paarlmoeren waaier bij de blauwroeken en telde den slag, om te zien of ze niet afgetrokken of vleugellam waren gemaakt. Niemand kon hem bedotten of linken. Nou deed het Karei, met meer sjoege nog dan hij. Zijn jongen kocht eksters, die prachtig stil stonden in de hoogte, zoo helder in de lucht, dat je alleen hun witte vleugels, zon-betipt, zag glanzen in het blauw. Zoo wentelde de tijd. Nou had hij als bezadigd man alleen
ontzag voor de buurt,____de buurt.... als die hem
maar eerde, in deugd en fatsoen. Want ze zeien
16*