240
feestlol tintelde te veel in zijn vingertoppen. Er trilde een wieging door zijn naar dansen hunkerende beenen* Hij zag al, het vroolijke gekleur van de hookie-pookie's op de Noordermarkt en hij dronk in, den lijf-wasem van de cancaneerende meiden. Eén zwaai van den zwengel, één roffel en bekken-slag van Lange Jan's kast, en hij zou losschieten als een wentel-tol tusschen de toekijkers en te loor gaan in een teugellooze pret-woestheid. Daar hielp geen lieve-moederen aan.
Negotie?____ Bahl Stijn rengelde weer traag als een
luipaard voor de kroeg-toonbank van Moeke, na een paar woeste nachten van dronkemans-gev echten en druischende opwinding. Nee, de negotie lei dood vandaag. Vroolijkheid moest er zijn; schuimende vroolijkheid. Geen zorgen, geen duiven-koop, geen visch-college.... zang en harmonica, orgel en cancan. Top! Gooi maar op me jakkie!
De zomerhitte was de laatste weken nóg zengender geworden. Zelfs den bedel-stucadoor, Kilometerboekje, had hij van zijn weet zien raken, in Nel's snoepkelder. De• hitte had hem plotseling, onder wat heete zuchten, blauw gewurgd en was op zijn adem-looze borst gaan drukken als een beest dat zijn longen leeg zoog. Flauw was Huib Strien gevallen en zijn hooge beef-stem had niet meer kunnen uitbrengen dat ״alles se gèngetje heit". —Van allen kant hoorde Mooie Karei kreunend gejammer over de tergende, martelende zon, waarin de heele negotie-doende Jordaan versmoorde. In een volle maand was er geen regen gevallen; in ruim dertig dagen had er geen zomerbui van den hemel gezongen. De heele stad hunkerde naar een dam-pigen, koel-drenkenden zomer-regen die het groen drup-pelzilverig beglinsteren, en alle schroeiende droogte en stikkende stoffigheid van huizen en straten, af-en wegspoelen kon. Een zwoele, van menschenzweet