ZESDE HOOFDSTUK.
I
De derde Maandag in Augustus,..«. Hartjesdag; dét had Mooie Karei, bij het opstaan, telkens als een kleurig plezier door het hoofd gezongen. Hij had zijn splinternieuwe, groot-models harmonica den vorigen avond vluchtig even adem ingeblazen en wat zangerige accoorden in het duister van de achterkamer laten uitzuchten. Hij wist het.... het zou een jooldag worden voor den heelen Jordaan, al brandde de zon woestijnsheet. Nou kwam er weer vijf minuten asem-halen tus-schen het zwoegen en het meerschuimen-pijpje smoken. De heele week al had hij zich landziekig gevoeld van negotie-zorgen, die zijn hoofd door-hommelden en een kriebelige gemelijkheid over zijn heele wezen brachten. Zoo een zenuwpees was hij toch niet, en nou werd hij bij ieder tegenslagje zoo driftig als een bij. Met drie gulle slokken Haarlemmer-olie had hij zich weer op de kuit geheschen. —
— 't Felkön mit 't rauje étekèt,.... neim gein swendel.... had zijn moeder hem gewaarschuwd.
En hij had van het roode-etiket-flacon gedronken en zich weer straf gevoeld als een marinier op inspectie. Neen, vandaag zou de negotie toch niets worden. De