238
Hij had Mastwinkel den neus stuk geslagen en Mastwinkel hem een lies-breuk getrapt. Maar van Aafje, tnet haar lieven, zwarten kop, had hij altijd gehouden. —
Den volgenden morgen, na hun onderhoud, zagen de buren van de Gang het knappe vrouw-mensch weer voor het raam van Gijsbeek. Mastwinkel raasde en brulde dat hij ze allebei aan het mes׳ zou rijgen. Maar hij deed niets en zijn schelden krijtte zich dood op eigen onmacht. Aafje bleef nu voorgoed bij Gijsbeek. Hij leek wel stil, maar hij had een zachte inborst, terwijl Mastwinkel een vuilpoes was. O! ze rilde als ze er aan dacht wat hij van haar wou; zóó diep-schandelijk dat ze er met geen sterveling over durfde spreken. —
Na zeven maanden bracht Aafje een kind ter wereld
van____ Mastwinkel. Maar ook dat wicht wou geen
blijvertje zijn, stierf aan ingewandsziekte na een maand. En nou, op zijn beurt, moest Gijsbeek, juist vandaag, het kindje van zijn gehaten mede-bevruchter Mastwinkel begraven. Met een grauw-wit gezicht, tegen het gejoel der meiden en kerels in, schreeuwde Mastwinkel naar het raam:
— Pi-ès____ nou mèg je maèn frèchie kruyje!....
De buurt mompelde ontzet dat Tante Antje weer
voorspeld had, met haar, nu verklaarde woorden....
— 't Gestarnte is swèrt.... ik sie dauje .... dauje!..