235
— Swèrt gestarnte.... drie om 't Seinit____drie____
deur 't Suyde____ swèrtigheid---- ik sie dauje----
dauje!....
Meer kon ze niet uitbrengen, maar de dollende meiden rilden en hielden zich stil. —
Vier volle maanden bleef de knappe Aafje met den eenzelvigen, goedigen Gijsbeek rondscharrelen. Toch, meende ze, dat ze niet bij hem paste. Er was nou nooit een deininkje in zijn geest, en geen flikkering noch opvroolijking in zijn gemoed. Mastwinkel leek een-en-al mop en roekelooze pret en van een aanhalige goed-rondheid. Die zong als een ״grêmmefaun" als hij het op zijn heupen had, al de liedjes van zijn kast; de droeve vroolijk, de vroolijke droef.׳ Het was zoo een oolijke snaak, een alles onderste-boven-gooier. En ze hield nou eenmaal van bejaarde kerels. Dat had ze hier en daar zoo uitgelaten in de Gang. — Mastwinkel scherpte de ooren! En terwijl hij juist op de felste en gemeenste manier Aafje had belasterd en beschimpt, begon hij nu weer om haar heen te draaien, te flikflooien en te bedelen om een streel, als een kat aan de voeten van haar huisvrouw. Als hij haar alleen ontmoette, of als haar man tukte en zij in de Gang een luchtje schepte, dan strooide hij zijn vroolijke moppen rond, vertelde van alles wat hij in den Jor-daan had beleefd; van den ouden tijd, voor het palingoproer nog, en ging hij zelf met slappe polsen, fratserig handgeklap en scheefschuinen kankan.... „op de taun". Dan deed zijn gaterig-uitgezworen been wel zeer, den heelen nacht, maar die pijn verbeet hij stilletjes. Hij liet zijn nek weer roodkloppen en zijn boezeroen stijfselen, en nu en dan zong hij uit zijn armoe-hokje het hoogste lied. Aafje lachte en zweeg. —
Plots zagen op zekeren dag de Gang-bewoners tot hun groote verbazing het zwart-gekapte hoofd van