233
twee maal in de week met een kraak-hard gestijfseld boezeroen de Gang in, vlak bij Aafje. Maar toch.... niet eerder of zijn nek en hals moest hij met de bijtend-ste groene zeep, prachtig rood hebben geschuurd. — Helaas, ook Mastwinkel kende dat kunstje. De barbieraanspreker moest hem het polka-haar van achter met een pannetje afscheren, totaal glad en dan dadelijk daarop zijn nek met een houten lepel bekloppen, dat er de vlammen uitsloegen. Zoo, met hun bloote roode nekken, paradeerden ze voor het vrouw-mensch, elkaar minachtend bekijkend. De meiden lachten zich blauw om die twee oude gékken, met hun zot gehommel rond het jonge vleesch. Maar de vrouwen voorspelden dat het bij het wulpsche wijf meenes was. Matje Scheefduim, aangehitst door Oranjekers en Toon Vetkluif, — ironisch zoo geheeten wijl hij het bedelend arm had, — verzonnen allerlei vieze en lichtzinnige grapjes op de genoegens van het aanstaande bruidspaar. Er werden rijmpjes gezongen bij avond in het donker en Trui van Zwarte Bet, met Scheele Mie gaven gemoedereerde voorstellingen van het toekomstige echtelijk leven
tusschen een vent-met-apen-mazelen van____zeventig
en een wijf met de harembroek van drie kruisjes. En Mastwinkel's spraak werd door de heele Gang nagebootst. Want allen in de Gang dachten, dat Aafje zinde op.... den vroolijken kwant. —
Op een dag, tegen alle verwachting in, liep ze gearmd met Gijsbeek. Dus dien knorrepot had ze gekozen. Ze gierden! Van trouwen was geen sprake. Daar had Aafje een hekel aan. Ze wou alleen saamwonen. De Gang kwetterde en borrelde van laster. Er werd gedreigd, gezongen, gescholden.... maar het vrouw-mensch lachte om smaad en lawaai, kroop in het bed van Gijsbeek en beredderde zijn somber boven-woninkje, waar hij zooveel jaren alleen had zitten kniezen in zijn eenigheid.