232
Gijsbeek voelde prikkeling van natuurdriften, die hij dacht al zeven jaar lang kwijt te zijn. Maar hij was toch ook maar in menschen-lendenen geboren, en wat er kwam kon hij niet wegblazen van zijn hart. —
De jonge meiden in de Gang, van de minst-gemeene soort, mompelden, dat aan het wijf, natuurlijk.... een halve kous los wasii Maar wéten deden ze niets. Het vrouw-mensch praatte gul en royaal met al het volk; ze zag er niet al te smerig uit, toch.... van haar komaf, vertelde ze niets. De vrouwen brandden van nieuwsgierigheid, de meiden dolden blindelings. Ze kwam van
buiten, zoo ver.... een gat van een plaats.....waar de
hemel met oude kranten was toegeplakt.... Het vrouw-mensch lachte en ging rustig verder. Die ״linkt" hem, riepen ze en keken haar nu gewilliger aan. Ze had een stiekeme slimmigheid in de grijze oogen, meende Matje Scheefduim en ook Lientje wou zoo graag weten waar het steekje los zat, bij het knappe wijf. De kerels lachte ze al brutaler in het gemoed. —
Gijsbeek, een acht-en-zestig jarige, was nog een stoere, lange vent, die zijn orgel slechts met één helper de heele stad rondwielde en 's avonds zonder al te zware vermoeienis, de kast alléén de oude Houttuin-loods indraaide. Maar ook Mastwinkel was nog een krasse kerel van negen-en-zestig, en veel darteler van geest dan Gijsbeek, al had hij een paar zwerende gaten in zijn linkerbeen. Het knappe vrouw-mensch Aafje, had met glundere verbazing de hurkerige liefdoenerij van Gijsbeék, de losse, vol kwinkslagen gekruide oplettendheid van Mastwinkel, opgemerkt. Eerst lachte ze goedig om dat draaien-rond-haar-rokken van de twee bejaarde orgeldraaiers. Maar plots werd ze ernstiger. Want beiden floten zoete deuntjes als jaloersch lijf-schut om haar heen-wakend. — Gijsbeek liet zich den rossigen baard scheren, kwam