231
— Je smelt tug weg sonder frauwmins,____ had
Mastwinkel gemopperd. Gijsbeek wias al zeven jaar weduwnaar, kinderloos, en Mastwinkel, vroolijke kwant, vrijgezel. Op een zekeren dag was er een knappe werkvrouw in de Wijde Gang komen wonen, van nauw drie kruisjes.
— Dèt wès t'r 'n immese efïetiefe ״moerkenaèn,"____
bromde Mastwinkel, en Gijsbeek keek begeerig. De orgeldraaiers voelden allebei jonge verliefderigheid voor het knappe, ongetrouwde vrouwmensch.
Jaren lang hadden zij, vooal 's zomers, zoo raam tegenover raam, op twee meter afstand, elkaar broederlijk van hun dag-avonturen door de stad verteld en met allerhande kleinigheidjes malkander gretig bezig gehouden. Het lijf kon bederven, de vriendschap niet, zong de luidruchtige Mastwinkel. Met hun stinkend-zwarte door-rookertjes den mond ingebeten, omwolkt van damp, onderhielden ze zoo al jaren lang hun gezellige praatjes en keken ze allebei met rustig vergenoegen neer op het groezelig gekrioel van het Wijde Gang-volk. Zij waren stiekempjes trots op hun echt, van-vader-op-zoon overgegaan Jordaansch orgeldraaiers-schap. Zij behoorden niet bij de sombere en sluiksche zwerfgasten die zonder patent den zwengel zwaaiden, met een hoop smerig rokken-volk er om heen. Mastwinkel, Gijsbeek en Lange Jan, hadden je mooiste muziek-kasten. Pas weer, met bevende en zingende menschenstemmen er in, immes nagebootst! En zoo wisten ze alle twee hun weggetje te vinden zonder schunnigheid, als die gele zigeuners en woonwagen-gasten. —
Echter, van dat het knappe vrouw-mensch in de Gang was komen wonen, met haar zwarte mom, hingen ze niet meer over het venster, malkander de gezichten met zware pijp-rookwolken bedampend. Ze hadden allebei de schalksche vrouw gezien en ze zwegen. Vooral