233
slenterde je nou in een goedkoope of dure dans-kast, je had lol en je bleef altijd van binnen heet gestookt. Na tweeën, de stiekeme Burgwalletjes, waar je alles
zag van donker Amsterdam____O! ze was er dol op;
dol op het avontuur, het gevaar. Ze vond niets prettiger dan rond te scharrelen in de omgeving van jonge dieven, zakkenrollers, souteneurs, die zooveel verborgens babbelden met hun opgedirkte meiden en ze voor de verleiding opbrachten. Wat was de Nes, met zijn bleeke heertjes, tegen den Zeedijk met zijn vaar-volk, en zijn muziek! O! ze kon Corrie wel van elkander scheuren, dat ze het weer hoóger wou zoeken dan al de andere meiden van den Jordaan. —
Vlak voor de Wijde Gang hield een zwarte koets stil, in de Willemstraat. Bij den orgeldraaier Gijsbeek moest een kinderlijkje worden weggehaald. Gijsbeek woonde tweehoog, pal tegenover Mastwinkel. De meiden en kerels drongen naar den Gang-mond. Gijsbeek stapte loom achter het kistje aan. Op dat moment krijschte boven het hoofd van tante Antje, weer de hoonende woede-stem los van Mastwinkel, den orgeldraaier, viel hij in gift-ironie uit naar den langen, stoeren Gijsbeek:
— Pi-ès!.... nou kè je main frèchie kruyje.... hè?
Er dreigden stemmen óp van de straat, tegen den
orgeldraaier. Scheele Toon zou hem in stukken drukken als hij zijn ״reep" niet hield. Matje Scheefduim en Trien de Soepketel gilden naar zijn raam, of hij stapel-krankzinnig was geworden. Tante Antje luisterde, strak met de niets-ziende oogen. Maar Mastwinkel bleef schel schreeuwen en woede-waanzinnig lachen:
— Pi-ès! nou mèg je maan frachie kruyje.... pi-ès!
Het was zóó gebeurd.
De twee orgeldraaiers Gijsbeek en Mastwinkel waren allebei zonder vrouw. —