229
se waèf 't haurt.... sloat s'em d'r hèkke in se lichies,.... lauw sorg!
Matje Scheefduim, de felle nachtelijke Zeedijkdanseres, toch nooit voor geld zich verkoopend, op haar ״eer" als al de Jordaan-meisjes, met een rammelenden mond vol gemeen, toch tegenover vreemde gasten haar lusten in bedwang, hakte woedend en smadend los op Corrie Scheendert. Heftiglijk beweerde ze dat Corrie van den Zeedijk niets moest hebben; dat ze liever stoeide met beenestaakjes uit de Nes, uit de fijne Café-Chantants „mit raud eilectriek" en „keliesies" en „teneil." —
— Sèi g'laak,____ik stoS d'r proamis.... zei rondweg Saartje-met-de-Rotjes____ maar nie faan, de
heirtjes te polletoere!____
— Sei g'laèk?.... bootste Matje met bromstem woedend na .... werum? .... D'r is tug moar éin Seidaèkl En plots, in een zwierdans draaide zij Oranjekers, Saartje, en nog een meid om en om, en zongen ze met hun vieren, de rokken wijd-uitkringend, in al stijgende opwinding een schunnig Zeedijk-lied de Wijde Gang in; een lied van de vroolijke buurt, waar de matrozenkragen wapperden en het naar zee rook. —
Matje Scheefduim verbraste haar jonge leven bijna iederen avond tot 'n nachts twee uur op den Zeedijk. De Zeedijk kittelde haar hoofd dol; dol van plezier en hartstocht. Er was geen heerlijker buurt op heel de wereld, meende ze. Je leefde er van alles mee. Je leerde er alle soorten van kerels kennen, en al wat de haven aan mansvolk uitgooide, dat kwam pret snuiven op den nauwen dijk. Je zag er de brutaalste en lolligste dingen gebeuren. Er was gloeiend veel licht en muziek, orgel en harmonica, zang en fluit, viool en piano.... En je
kon er drinken wat je wou, en dansen, dansen.....
nee..!.. dat je beenen onder je wegduizelden. En al