223
alleen, als zij er zelf lust in had en zich er toe geroepen voelde. Alles zei ze met plechtige en diep-innerlijke zelf-overtuiging, zonder geween in haar stem, al voorspelde ze de huiveringwekkendste afgrijselijkheid; zonder lach, al voorzag ze zilveren hemelen van geluk. Ze voelde zich omgloeid van een inwendige koorts, en vóór ze aanving door een opjagenden angst bezeten. Dan prevelde ze iets van loeienden storm en rilde ze over haar heele vervuilde lijf, en dan kwam het schuim haar de lippen overkruipen. Tot, klanken en woorden haar zachte kalmte gaven. Ze prevelde dan altijd in plechtige strakheid orakel-taal, vreemde, hoogdravende en duister-verwrongen zinnen, van een kreupele verhevenheid, zonder kop noch straat. Ze begon midden in een zin.... en staarde voor zich heen, met een beving der oogvliezen. Ze wist zelf niet wat ze zei.... Het kwam op haar tong eer ze het zelf wist. Die geheimzinnige, verstrakte ernst en koude overtuiging van eigen kracht, stichtten de faam van bijge-loovig ontzag voor haar waarzeggerij. Ze waren innerlijk bang voor die vreemde, strak-starende, meer luisterende dan kijkende oogen. Ze had al zooveel voorspeld en met een huiver gingen ze 's avonds langs haar morsige kelderwoon, waar tante Antje midden in haar schillen en vodden, zat te sorteeren, of doodstil te staren op haar stoel, het strak-gele gezicht lamp-goudig belicht, de overvliesde oogen wijd open. Als ze uit het donker van haar eenzelvig vertrekje op het stoepje verscheen, dan werd er altijd even gemompeld;
— Tante Antje.... tènte Antje. —
Ze sprak niet veel en bemoeide zich nooit met buur-gekonkel of gevechten. Soms begon ze over dingen te spreken waar geen enkele buur weet van had, in zoo een rare taal, dat het hun de bijbel wel leek. Dan mompelde ze door, alsof ze begrepen werd en brak