aai
lijk bijziende, half blind eigenlijk, afzichtelijk morsig en omwalmd van een soort vunzige modderlucht. Ze zag er uit als een tooneel-voddenraapster, met allerlei kleurige lappen om hals en lendenen sa&mgeknoopt, als of ze rilde van de kou. Tante Antje was oud, al zeven en zeventig jaar, maar volgens de Gangbewoners en buurtgenooten begaafd met een angstwekkend klaar verstand en een ijselijk-strengen waarheids-mond. Zij zei altijd dingen die het bijgeloovig gepeupel aan het rillen brachten. Al zeven en zeventig jaar woonde ze in haar kelderachtig onderhuis. Ze was eenig kind en ongehuwd gebleven. Haar grootouders hadden het keldertje bewoond tot htfn dood, haar vader tot zijn dood. Nou zij.... tot haar dood. Met schillen-garen en wat vodden-koop had ze een sober broodje, dat ieder haar gunde, al stonk haar kelderhuis als een wasemend lij ken-woon. Ze had één kamer en een keukentje. In de kamer ״dreef" ze haar zaak en handel. Al de schillen en beenen, maanden lang opgespaard, bleven er liggen rotten, rond haar bed, haar tafel, haar twee stoelen, haar kastje, kacheltje en stoof. Haar krot liet ze nooit schoonmaken. Het schillen-vuil en het vodden-smeer werd al veertig jaar achtereen, van dat ze alleen stond, de vermolmde vloerplanken ingetrapt. Er was al een weeke laag verhard en aangebakken, zoodat de kamer-grond niet meer te zien was. Op het versteende vuil weekte nieuwe schillenlaag, waar ze weer in woelde met haar morsige handen en haar tengere, dik-beader-de vingers. En zooals haar vervuilde kelderkluis was met zijn vocht-waseming en zoetige modderlucht, zoo ook de oude vrouw; een zwart-geel stuk levend vuil, een ademende lomp, smeuerig vastgekleefd aan haar vodden, beenen-gom en schillen. Alles in haar kluis was vettig-smoezelig en van een ranzig, klam