218
van de kliertranen, die zoo branderig over zijn lijk-tintige wangen biggelden. Dat deed hem zijn gezicht plooierig bij den neus inkrimpen, alsof hij telkens in huilen wou uitbarsten. Het buurvrouwen-gekijf was met heftig dichtslaan van ramen en deuren bij tweehoog-vóór, afgebroken.
—Nei Koarel, de Ouwe hepper gein weit fèn Misschien.... spotte hij valsch om het buur-vrouw-gekonkel weer op slag te brengen en aan te hitsen.... is se noar de daumenei fèn de Dèm.... dèn hep se d'r dauprok.... feur twei knoake nög niet!.... je mot feul segge fèn de faanigheit.... 'n daup op de Dèm-kerk is t'r .... is t'r .... ,
Plots met een ruk, verdween de valsche lachkop en het naakt-harige bovenlijf van Dekker voor het raam. Lien had hem naar binnen getrokken. Als hij nuchter was durfde ze haar vader wel aan. Ze ergerde zich altijd aan zijn stem, die dreunde als een doodsklok. Ze zou hem hebben kunnen slaan om zijn gniepige en valsche, boosaardige en ophitsende kwaadsprekerij!.
— Hou je smoel ouwe____bemoei je mit j'aage
Ook het vieze spugertje rukte ze met een smak
achterover de kamer in. Toen bukte ze zich ver het venster uit en riep naar Mooie Karei, dat zij wist waar de manden stonden. Gees Kliekie had ze haar aangewezen. —
Lien's stem beefde altijd van aandoening als ze met Karei sprak. Hij keek zoo aanhalig en soms in eén weer zoo straf.
Als ondersmoorde goudleer-glanzen gloeide dof, diep-goud, een petroleumlamp op hellen zomerdag in een stikduistere kelder-woon van een buurvrouw, waarin Lien droomerig staarde, voor ze zei, met een zoelte in het hart:
— Kom effe op, sel ik je se waase!