217
— Aük f'rordeneirt fèn schaul,____ sprak de eerste
weer, met woedend pijn-vertrokken gezicht. Er werd polts in de lucht gestreden, gevloekt, gescholden tegen elkaar in. Al meer verwaarloosde, ongewasschen en ongekamde vrouwhoofden drongen over de vensters bijéén.
— Jei riaul! jei!.... schreeuwde in dolle gift de vrouw van achter-opzij, zwaar gekrenkt door een aanval van éen, tweehoog-voor, op haar geheugen.... ikke breng me grommetjes nie noa de hoafelause schaul....
— En ikke freit gein rotte oarepele fèn faèf sint 't kop.... schreeuwde de tweehoog-vóor terug.
— Dèt lieg je èdder!.... gènnif jei d'r de lèppies moar fèn de Naurdermèrt.... en kraag de kraat-siekte____riaul!____
— Riaul!.... sau'n tótebei.;... en plots gilde de ander weer naar achter-opzij, in een ziedende drift, een vloekhoos, telkens haar scheidzin sluitend met een zangerig uitgehaald: ״wèt seg je me doar fèn!"
Mooie! Karei verveelde het kwaadaardig wijven-krakeel boven zijn hoofd en hun wijdarmig gezwaai over de droogstokken heen. —
— Seg loeders,.... ik heb gein portie an jullie ge-knok .... Weit jèi Dekker.... hoe loat Gaès Kliekie terug ken weise?
— Wècht.... de Ouwe hep hier auk se uytsicht.... Seg foader.... weit jei wènneir 't waèf fèn Kliekie is weggestèpt?
De oude Dekker, verschrompelde en vervuilde grijsaard, bij zijn zoon opgenomen omdat hij niet het werkhuis in wou, wist er niets van. In zijn lijkig, vuil-groen gezicht vertrokken de verstopte traanklier-oogen alsof hij huilen ging. In maanden had hij zich weer niet gewasschen, en nu, in de vooze hitte, voelde hij hinder