2X6
— Dèt hietter de faanigheit fèn teugeswaurdig!----
schreeuwde hij met valsch-vinnig gezicht, zich in gretigen jeuk-wellust zijn naakte, harige borst bekrabbend. Buurvrouw één-hoog-vóór stemde in, ja-loersch op Hannes Kliekie's wijf, dat ze meer waagde te doen dan de andere Wijde Gang-bewoners. Buurvrouw twee-hoog-achter, op den kronkelhoek, kon nog net, door den nek giraffïg uit te wringen, steunend op de bevende handpalmen, zich in het praatje mengen.
— Woar hei je dèt aujt gehaurd.... zong schel haar stem.... maan grammetjes binne allegoar mit m'aage paute an de daumenie gepresteteird....
Buurvrouw één-hoog-voor, schuin-rechts den kop wringend naar den kronkelhoek, naar tweehoog-achter-opzij, en naar Dekker bóven haar, op de derde verdieping, stemde weer gretig in en lachte nu schel Karei toe, op straat.
— Mit 'n doek om d'rluy ribbe de daup in.... fejat mins!----Bi je besnausneigerd!
Dekker boven haar hoofd, met de buurvrouw van tweehoog ertusschen, lachte, terwijl naast hein zijn zoontje op de babbelende en zich wringende vrouwkoppen, spogvlokken poogde af te druppen uit zijn wreed-lachend, met vuil bebakken bekje.
— De faanigheit.... an me saule!____snerpte buurvrouw van tweehoog-achter-opzij____ As hullie gein
witte boeseloars feur de bigge kenne strèake is de weireld op 's int!.... Motte die 't foatje ansloan? —
Aan den overkant van de Gang, kakelden over hun venster twee vrouwen er gillerig en dwars tegen in. Een van de derde verdieping trok een zóó kwaadaardig gezicht, alsof ze rheumatiek-pijn te versmoren had.
— Se motte boeseloars mins,.... dèt is f'rordeneirt fèn schaul....
— En d'r pit loate koal-knippe,___kwaakte een ander.