215
niet op tijd geleegde emmers waren leeg-gesmakt in de slophoeken. Hij rilde van den beerput-stank. Nu was hij toch zelf Willemstrater, maar zoo een belt had hij toch nog nergens gezien. Nooit was hem dit leven, dat ziender-oogen stond te walmrotten, met zijn menschen, kinderen en huizen, zóó walgelijk voorgekomen als juist vandaag, in de alles-ontbindende woede der hitte. —
Boven een droogstok zag hij de vlas-harige hoofdjes van drie meisjes, uit een venster hangen, een venster zoo nauw als het kajuits-luik van een turfschuit. Bij die moest hij ook zijn, het nest van Naatje Kontant. Een zonstraal gloeide een gouden baan stofwemelend licht over de vlas-haren kopjes der meisjes, en onder hun gelige en goor-tengere armoe-gezichtjes, bloedde somber het beschaduwde baai-rood. Traag, tegen de grauwe muren, kroop de donkerende en grillige middagschaduw als een uit de aarde groeiende schim, het heele Gang-brok omgrijpend in scheemrende versombering. In een duisteren hoek stonden drie vrouwen, in hun beverbruine en blauwe onderrokken, de vuile haren los langs de ooren, schel te praten. Voor een klein deurtje, hurkte een besnotterd meisje van tien jaar, de beentjes vaneen, met twee kinderen op haar schootje. Lientjes vader, met bloot bovenlijf in ruige harigheid, hing over het venster. Nauw had hij Mooie Karei in de kijkers of hij riep dat Hannes Kliekie en zijn wijf Gees niet thuis waren.
— Niet tüys?____vroeg spijtig en half ongeloovig
Karei terug.
Dekker schreeuwde over het raam altijd zijn weetje van geburen. Ze was doopgoed gaan halen, vertelde hij, op de Baangracht. Woensdag-avond op het Oude-kerksplein, was het ״plezierege antrei" bij meneer de ״daumenei"____