214
één woning-groep, één deel van de Gang. Hun front keek uit op de Willemstraat, en ving nog ruim licht van voor, en van achter uit de Palmstraat. Ze leefden de verzwijning van de Wijde Gang maar half mee. Ze hadden hun broodje en bleven van een nukke-looze rustigheid. De havelooze kinder-gedrochtjes van het slop zagen ze niet meer. Ze leefden al een halve eeuw rustig tusschen de vechtlustige Gang-bevolking en de wemeling van trekkende en inslenterende gasten. Ze kenden het zwerfvolk van de straat, en de vaste woners. Ze werden ontzien als ״nette" menschen, door het gemeenste crapuul; zelfs vond het gepeupel er een eer in, dat zulke oppassende creaturen in hun midden wilden ademen. In het benepen fatsoens-be-staan der „nette" gezinnen, waar „gewerkt" werd, was dit Gang-leven met zijn gewemel van zwervers en ontuchtige gasten, een afleidend vermaak. —
Mooie Karei stapte de Wijde Gang in, werd onmiddellijk bevangen door de ontbindende lucht van de moordende hitte in het schacht-achtige hol, waar het licht werd gedood door de beknellende muren, alleen zijn stovende warmte na-broeide. Lien woonde bij den eersten kronkel rechts naar de Palmstraat, tegenover de krotten achter het scheemring-poortje. Het was een ingesloten steeghoek, waar vischkarren en zuurwagens werden opgeladen, plat-geplet door groe-zele achtermuren van Willemstraat-woningen, en waar de hitte als in een koker hangen bleef, gelijk stinkende rook. Het luchtte er naar omgewoelde vuilnisbakken, naar rottend stroo en bedorven visch. Droogstokken met rood en blauw baai, smeulden kleuren in den schaduwenden, snikheeten Gang-kronkel. Karei begreep eigenlijk van zich zelf niet dat hij in zoo een omgeving een grapje begonnen was met Lien. Moest hij hier zijn liefde verspillen, tusschen zoo een zwijnen-zooi? De