313
ellende-krotten en ingezonken bedakingen. Misdaad en hoererij, verdoken achter stuitende haveloosheid. Het leven der slop-gangers kreunde in halve verhongering, of brandde uit in schaamtelooze zinne-driftigheid. Allerlei slag van volk broeide in de schaduwing der lage Gang-krotten saam. Achter de half of driekwart gebroken ruiten, ópgekneld tusschen de lage, vochtige muren van hun met wandluizen over-kropen kamers, leefden verongelukten, daglooners, straatzangers, werklooze schooiers, orgeldraaiers, stoe-lenmatters, kermisgasten en verzopen zwervers. Uit den schemer van de Wijde Gang, doken tronies op en waggelden even vóór, zooals ze nergens anders in den Jordaan gezien werden. Afstootelijk-wreede gezichten, met de verzwegen misdaad in de gemeene oogen. Al het verliederlijkte zoog de Wijde Gang in, als een veilig pad voor schurftig bestaan. Om de Wijde-Gang-bewoners huiverde een sfeer van melaatsche uitgeworpenheid. Het nachtelijk-verborgene en ver-rottend-afgrijselijke van ontucht en verdierlijking omving deze buurt, en duisterde een uitgestooten vereenzaming rond het krioelen der vervuilde wezens. De zotste Jordaan-pias, Torbecke, de naaktlooper, vermalde er zijn roekeloos leven. Nergens werd er bloediger en schenniger en wraakgieriger gevochten dan in dezen duisteren straatdarm, terwijl de ver-beestelijking er rondtierde in vreeslooze onbewustheid. Dronkenschap, armoe en vuil besmetten al hun daden en woorden. Er werd onder de Gang-bewoners geleefd in de ongekrenkte rauwheid van hevige instincten. En tusschen de levens-beschimmeling van honderden verwilderde en vervuilde gezinnen, leefde, in het deel naar de Willemstraat toe, een groepje fatsoenlijke kleinburger-families, die de buurt door en door kenden, van vader op zoon waren blijven plakken, in