212
naar de boven-bewoners, achter en voor, die over hun droogstokken en armelijke blompotjes, de vensters uithingen, het drukke Gang-geleef van geburen den ganschen dag met bemoeizucht en in nieuwsgierigheidsziekte, beloerend en behekelend. Van de loodrechte of mal-smalle wenteltrappen, vol ingedroogd smeer, asch en eetvuil, zonder deur en optrek-touw, holden al meer morsige kinderen aan, als een vieze, ontredderde zwerm bijéénkruipend in spel, met hun vaalkleurige mengeling van rottende lijflompen, schreeuwend en hun schelle stemmen lawaaiend door de Gang. —
Op den zoetig-stinkenden, in de hitte verdroogd-zanderigen grond, dampten en broeiden hoopjes neergeworpen klieken. Haring- en bokking-koppen, visch-graten, asch en groente-afval rotten dooréén, werden nu en dan alleen omgewoeld door grabbelende slopkinderen of hongerige honden. —
In deze zieke darmgang van de Willemstraat, kropen door ieder krot, melaatschheid en menschenbeschim-meling een slijmerigen weg van walgelijke vervuiling af. Er klonk in dit afzichtelijke hol, óver-bevolkt, waar de schepsels eikaars zuren adem opzogen en op eikaars tronies leefden, op ieder uur van den dag en den avond, heesch gereutel van afgematte dronkaards; gehuil, gejammer en geschreeuw van geranselde, verwaarloosde of spelende kinderen; woede-gekrijsch van gekrenkte, vechtlustige vrouwen die elkaar de haarspelden over het gezicht scheurden. De kinderen, in beestelijke onbewustheid opgroeiend, bestoeiden of bevochten elkaar met de liederlijkste woord-vuilheid. In dit hel-hol doolden schemers rond van beangstigenden sluip-tred; ontbloeiden morgens van héél vroeg zon-leven, voor één uur afzichtelijken luister van gouden schijnsels neerprijkend over de rottende